Blogs

Het belang van èchte peers

Skillfully controlled exposure of the child to the difficulties in the environment of his peers is one of the important sources of refashioning the child’s attitude, for his equals are considerably more direct in behavior, and often considerably more objective, than older people, even parents. The environment of peers becomes, therefore, an environment creating conditions for reshaping the egocentric, egoistic, imperious, and other attitudes.

Dit schreef Dabrowski veertig jaar geleden in zijn boek “Personality-shaping Through Positive Disintegration” (p 203). Hij onderschrijft daarmee het belang van peers voor de ontwikkeling van een persoonlijkheid. (Kort door de bocht vond Dabrowski dat niet iedereen een 'persoonlijkheid' bezit, maar dat deze gevormd kan worden gedurende het leven. Tegenwoordig zouden we wellicht zeggen dat iedereen een persoonlijkheid heeft en wat Dabrowksi bedoelde aanduiden als 'authentieke persoonlijkheid' of met het Amerikaanse begrip 'true self', het ware zelf.)

En hoewel peers, 'ontwikkelingsgelijken', om je heen hebben zo belangrijk is, is het voor mensen met een groot ontwikkelpotentieel vaak lastig om peers te vinden waarmee ze een 'echte' connectie voelen. Want niet alleen moeten peers over een soortgelijk ontwikkelpotentieel beschikken, ze moeten zich ook nog op een soortgelijke manier ontwikkeld hebben / ontwikkelen. En wanneer het gaat om het vinden van een levenspartner hebben de meeste mensen daarbij ook nog eens specifieke geslachtsvoorkeur.

Wanneer die 'soort' waartoe je behoort niet (of niet voldoende) te vinden is, maakt dat de ontdekkingstocht in jezelf een eenzame odyssee. Want juist het kunnen spiegelen van jezelf aan anderen, het feedback krijgen op gedrag en ideën, het samen met anderen nadenken over een plethora aan onderwerpen die je bezig houden is zo essentieël voor authentieke ontwikkeling.

Een goed voorbeeld hiervan zijn tot op zekere hoogte de Leonardo afdelingen voor hoogintelligente en hoogbegaafde leerlingen die sommige basisscholen hebben: kinderen voelen zich hier al een stuk meer zichzelf dan in een 'gewone' klas leert de ervaring. De kritiek die er te horen valt op het 'apart zetten' van deze groep leerlingen -dit zou elitair zijn en slecht zijn voor hun sociale ontwikkeling- verwerp ik dan ook absoluut: juist het feit dat deze kinderen zich tussen (meer) ontwikkelinggelijken kunnen ontplooien maakt dat ze meer mogelijkheden hebben tot een 'persoonlijkheid' te ontwikkelen.

Veel mensen met een hoog ontwikkelpotentieel die ik spreek hebben een 'normaal' leven. Een baan, huis, vrienden, relatie en familie. Maar waanneer ze niet beschikken over 'echte' peers ervaren ze vaak toch existensiële eenzaamheid. Een pasklare oplossing is er niet – er is niet echt een club voor 'onze soort' – iemand ideeën daarvoor?

De sensitieve narcist vanuit Dąbrowskiaans oogpunt

Mijn eerste associatie bij het woord narcist is een trompet (namelijk trompetnarcissen), maar het volgende plaatje is toch echt die smurf met een bloem op zijn muts die de hele tijd in een spiegel kijkt en zo ontzettend blij wordt van zijn eigen schoonheid.
In werkelijkheid zijn narcisten niet zo gemakkelijk te herkennen. Vaak zijn het innemende persoonlijkheden waar anderen graag iets voor willen doen. Tikkie arrogant, komen zelfverzekerd over en weten wat ze willen. Onder deze buitenste laag zit onzekerheid met veel behoefte aan zelfbehoud, die extern bevredigd moet worden.

Een bijzondere groep narcisten zijn de sensitieve narcisten. Een innemende persoon die (meestal) hulp nodig heeft en die je precies weet te raken. Dit is de groep narcisten die erg moeilijk te herkennen is. Als ze al ontdekt worden, is dat vaak pas na lange tijd in contact met ze. Je kunt ze namelijk overal vinden: tussen vrienden, familie, je partner, onderwijzers, die spirituele goeroe… Eén van de eerste aanwijzingen dat je met een sensitieve narcist te maken hebt is dat het drama eigenlijk nooit stopt. Hoe veel je ze ook poogt te helpen met raad en daad, de echte verandering komt er niet. Het gaat namelijk niet om het oplossen van de hulpvraag, maar om de aandacht vanwege de hulpvraag. Soms lijkt er even inzicht te komen, vaak net op het moment waarop je bijna de handdoek in de ring wil gooien omdat het je te veel energie kost en je onderbuikgevoel zegt dat het toch (weer) niet gaat werken. De ander voelt de afstand (want sensitieve narcist) en werpt je spreekwoordelijk een bot toe: “deze keer is het echt anders” “nu snap ik wat er aan de hand is” “weet je, eigenlijk ben ik stiekem wel bang”. Je denkt dat dat harde werken eindelijk wordt beloond met inzicht en verandering, maar helaas, het bleek van korte duur. Maar nu heb je gezien dat het inzicht er wel is! Je moet alleen… harder… werken… om het weer… boven tafel…. te krijgen…
Met andere woorden: het blijft drama, er blijft altijd wel iets aan de hand.

Bij een sensitieve narcist zien we in de regel een sterke eerste en tweede set factoren: de overlevingsdrang is groot en ze zijn super sociaal. Ze hebben hun omgeving nodig. En dan bedoel ik: echt nodig. Alles voor zelfbehoud, maar zelf kunnen ze hier niet in voorzien. Ze nemen zogezegd geen eigen verantwoordelijkheid. Daarnaast hebben ze een emotionele overexcitability. Naast het sensitieve, uit zich dit bijvoorbeeld ook als ze “hun zin niet krijgen” in boosheid of zelfs agressie. Kortom: hier ontbreekt elke vorm van diepgaand ontwikkelpotentieel.

Ontwikkelpotentieel genetisch aantoonbaar?

In het televisieprogramma "De kennis van nu" op 26 oktober 2017 werd onderzocht waarom sommige mensen best oké uit een oorlog komen en anderen getraumatiseerd.  In het televisieprogramma werd uitgelegd dat er een verschil in de genen tussen deze twee groepen mensen is.

We worden allemaal geboren met ons pakketje genetisch materiaal; daar verandert niets aan. Wat wel veranderd is de manier waarop het genetische materiaal gebruikt wordt. In het televisieprogramma gebruikten ze de metafoor van boeken: genetisch materiaal is de bibliotheek, waarin sommige boeken intensief gelezen worden en anderen bijna niet. De getraumatiseerde mensen bleven bepaalde boeken keer op keer herlezen, terwijl de mensen die redelijk uit een oorlog kwamen de boeken maar amper meer aanraakten. Hierbij wil ik overigens de kanttekening maken, dat mensen met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) doorgaans hun best doen om niet aan het gebeurde te denken, dus de metafoor met de boeken is daarbij misschien wat minder handig gekozen, omdat het hierdoor lijkt of iemand er bewust voor kiest om de boeken te herlezen of te negeren. Het is gebleken dat negeren en wegstoppen meestal en tegengesteld effect heeft, dus het herlezen van de boeken in deze metafoor verwijst naar een ander systeem dat met het trauma omgaat.

Dąbrowski vroeg zich hetzelfde af toen hij zijn theorie ontwikkelde. Hij benaderde deze vraag vanuit zijn professie en concentreerde zich op de menselijke psyche. Gechargeerd gezegd noemde hij een groot ontwikkelpotentieel als de belangrijkste factor voor verregaande persoonlijke ontwikkeling. Dat ontwikkelpotentieel bestaat onder andere uit een sterke set derde factoren en een meerlagige ontwikkeling. Een groot ontwikkelpotentieel herkennen we bij de ander vaak intuïtief, maar het is zeldzaam. Hoe leg je aan iemand die "diepgaand, groot ontwikkelpotentieel" niet gevoelsmatig snapt uit wat je bedoelt? Dat het bijvoorbeeld veel verder en dieper gaat dan gedragsverandering?

Na het zien van deze aflevering van "de kennis van nu" vraag ik me af: zouden we over een paar jaar een groot ontwikkelpotentieel wetenschappelijk aan kunnen tonen?

Het syndroom van Szechuan

In de Verenigde Staten – en in Nederland op Netflix- is de populaire cartoonserie voor volwassenen 'Rick and Morty' te zien. Kort gezegd speelt deze zich of rond de belsommeringen van een alledaags Amerikaans gezin met inwoning van opa. Deze Opa Rick is in staat door tijd, ruimte en dimensies te reizen en gaat dan ook graag met zijn kleinzoon Morty op pad. Door de volkomen absurde werkelijkheden en middels ingenieuze 'storytelling' is deze serie, vooral onder adolescenten, enorm populair. In feite loopt de serie over van de maatschappijkritiek, waarbij geen onderwerp geschuwd wordt.

In een recente aflevering refereerde 'grandpa Rick' aan een saus voor op de frietjes die McDonalds enige tijd voerde (in deVS). Deze Szechuan saus was inmens populair destijds, maar bewust slechts voor een beperkte periode beschikbaar. McDonalds zag in deze recente ontwikkeling aanleiding om, mede vanwege de aansporing van Rick and Mort fans, de saus weer terug te brengen in een beperkte hoeveelheid.

Tot zover niets vreemds; logisch dat een bedrijf inhaakt op een externe ontwikkeling die de mogelijkheid geeft om bij klanten te scoren. Toen de saus daadwerkelijk verkocht zou worden, bleek de vraag het aanbod echter gigantisch te overstijgen. Dit leidde tot chaotische taferelen, waarbij in enkele gevallen de politie moest worden ingezet om volkomen over hun toeren zijnde klanten het fastfood restaurant uit te krijgen.

Je kunt speculeren of wat hier gebeurde. In ieder geval was de drang om de saus te bemachten, om onderdeel te worden van de groep die deze op de frietjes at, zo groot dat het feit dat dat niet mogelijk was genoeg was voor het losmaken van sterke negatieve emoties.

De klanten vonden in feiten dat ze recht hadden om geincludeerd te worden in de 'haves', dat ze konden opeisen er bij te horen. (Vanzelfsprekend gebeurde dit niet, op was in dit geval letterlijk op).

Noodgedwongen als 'have not' achterblijvend togen de teleurgestelde klanten naar Twitter om daar luidkeels hun beklag te doen over hun exclusie. Daarbij lag de schuld -vanzelfsprekend ben ik geneigd te zeggen- natuurlijk niet bij hun eigen hebzucht maar bij de fastfoodketen in kwestie.

Deze hele kwestie is een schoolvoorbeeld van primair gedrag: volkomen door de groep voortgestuwd wordend vroeg niemand zich meer af of ze nu zo realistisch bezig waren. Er bij horen was belangrijker dan wat ook. Relativering van huin behoefte was onmogelijk geworden.

Dit gedrag lijkt extra gefaciliteerd te worden door platforms als twitter: het is op internet erg makkelijk om niet voorbij echokamers van gelijken te kijken. Er is altijd wel een plek te vinden waar je gelijken vindt, en waar afwijken van de daar geldende norm mensen doet vertrekken – of ze worden simpelweg verbannen.

Dit mechanisme treft overigens ook niet alleen mensen die zich druk maken om fritessaus. Ook bv. binnen patientenfora op internet gaat soms pertinent onjuiste informatie door als de waarheid – feiten weerleggen dat niet. Alternatieve feiten worden binnen een gesloten gemeenschap als snel feit. Het Szechuan syndroom in zijn volle effect.

Onaangepast binnen de norm

Dąbrowski beschrijft bij zijn dynamismen vormen van aangepastheid en onaangepastheid. Er zijn een aantal onaangepastheden die algemeen geaccepteerd zijn. Tatoeages, extreme haardrachten, sierraden zoals piercings, maar ook groepen in de samenleving, zoals de alto’s, gabbers, mooiboys, hippies, voetballers enz. Zij hebben allemaal hun unieke vorm van zich uiten, die niet gemakkelijk, maar toch uiteindelijk wel geaccepteerd worden in de samenleving. Een unieke uiting van iemands persoonlijkheid, maar binnen de normen van de samenleving. Ik zal dit illustreren met een voorbeeld.

Laatst was ik op een feestje bij een vriendin. De drie (boven gemiddeld slimme) zussen haar partner waren hier ook. Al aan het uiterlijk van de jongste zus was te zien dat zij anders in dan de andere zussen: waar de anderen er netjes en neutraal voorkomen hebben, heeft de jongste zus en wat meer uitgesproken uiterlijk met spray-tan en grote gouden oorbellen. Het gesprek tussen de zussen ging over een tatoeage die de jongste zus wilde laten zetten. Ze had nog geen idee wat ze precies wilde, dus ze had een aantal foto’s van tatoeages meegenomen, die haar wel aanspraken. Na een groot schedel voor op haar bovenbeen en een draak voor op haar rug, liet ze een tribal zien, die voor haar hun gezien symboliseerde: hun ouders, drie zussen en broer en de drie kleinkinderen. De twee oudere keken hun jongste zus liefdevol aan voor deze (binnen het afgrijselijke idee van een tatoeage) perfecte idee. “Maar”, zei de jongste, “Ik wil hem wel zó groot op mijn nek, borstkas en tussen mijn borsten”. Je kunt je de reactie van de twee andere zussen voorstellen. De een zei: “waarom neem je niet gewoon een sleeve (een tatoeage die een groot deel van de arm bedekt)? Dan kun je die andere plaatjes die je toch al op je arm hebt staan, daar mooi in verwerken? (haar non-verbale communicatie zei: verbergen) Als je hem dan tot je elleboog doet, kun je hem altijd nog onder een shirt bedekken. En wat zullen andere mensen denken? Je weet hoe oudere mensen tegen iemand met een tatoeage aankijken. En ik wil niet dat mijn zus geassocieerd wordt met dat soort mensen. Wat zullen ze dan van ons denken?”. De andere zus was ronduit met stomheid geslagen. De jongste zus nam een houding aan die duidelijk maakte dat ze niet voor rede vatbaar was. Dit was háár uiting van onafhankelijkheid.
Heel tactisch draaide ze het gesprek naar de aankomende barbecue die een oom twee dagen later zou organiseren. De oudste zus, die eerder geen woord uit kon brengen, nam nu een houding aan waarbij duidelijk werd dat ze nu uit vrije wil geen woord uit zou brengen. De jongste zus vond het onbegrijpelijk dat hun oudste zus niet mee wilde naar de barbecue. Want: dat is toch gezellig met zijn allen?

Wat hier gebeurde, beschrijft de tweede factor mooi. Zussen die elkaar corrigeren in het gedrag dat als onaangepast gezien wordt, die tatoeage en het niet verschijnen op de familiebarbecue, waarbij de onderliggende reden vooral is “wat anderen denken”. In het geval van de tatoeage is dat, wat andere mensen van hun gezin denken door die dochter met die opzichtige tatoeage. (Misschien leuk om te vermelden dat de oudste zus, die niet met “dat soort mensen” geassocieerd wilde worden, zelf ook een tatoeage had, die haar have buik bedekte) In het geval van de barbecue is dat het beeld dat de rest van hun familie heeft over de hechtheid van hun gezin: je familie is belangrijk en daar wil je bij zijn.

Je zou kunnen zeggen dat die tweede factor het verschil maakt tussen positieve onaangepastheid en onaangepast binnen de norm. In bovenstaand voorbeeld “treedt iemand toe tot een bestaande groep mensen met min of meer hun eigen normen”. Hoewel deze groep soms wat schokkend kan zijn voor de omgeving, is het niet wat Dąbrowski bedoelt met positieve onaangepastheid. Als voorbeeld hiervan zou je kunnen denken aan pioneers, die vanuit hun eigen kern handelend, afwijken van de groep maar tegelijkertijd niet deze groep tot last zijn (want dat is negatief onaangepastheid), zoals de eerste vrouw die een broek ging dragen in plaats van een jurk.

Overeenkomsten hoogbegaafdheid en verstandelijke beperking

Op het moment dat ik ontdekte hoogbegaafd te zijn, werkte ik op een school met ernstig verstandelijk en visueel beperkte leerlingen. Afgezien van het verschil in IQ (dat zo groot was dat er een gemiddeld IQ tussen paste), zag ik òòk overeenkomsten. De gevoeligheid voor prikkels uit de omgeving zag ik in ons allebei terug. Op onze school werken we nauw samen met onder andere ergotherapeuten. Samen maken we per leerling een lesrooster, die voor zijn specifieke prikkelgevoeligheid de meest optimale balans heeft tussen leren en ontladen. Zo worden alle lessen afgewisseld met een ontspannende activiteit, zoals bijvoorbeeld schommelen of muziek luisteren. Helaas is deze gevoeligheid onder hoogbegaafden wat minder geaccepteerd in de zin dat het rooster niet standaard op de gevoeligheid van de individuele leerling opgesteld is.

Maar er zijn meer overeenkomsten. Gekeken naar IQ, uitgezet tegen de hoeveelheid mensen (de Bell curve), zijn er aan beide uiteindes (de hoge en lage IQ’s) minder mensen die dit IQ bezitten, maar zijn de variaties tussen de mensen onderling groter. De grootste groep mensen, die “in de buik van de grafiek zitten”, heeft eigenlijk best wel moeite met die groepen aan de uiteindes. Die wijken zozeer af, dat het eigenlijk misschien makkelijker is “om ze maar gewoon te laten”. (Je zou kunnen zeggen dat beide groepen verstandelijk gehandicapt zijn). Voor HB’ers zijn er ondertussen scholen (waarbij men zich afvroeg waar dat eigenlijk voor nodig was, want deze slimmeriken zouden toch tienen moeten halen in het regulier onderwijs?), maar voor mensen met een ernstige verstandelijke beperking is er eigenlijk voornamelijk dagbesteding. Dat wij een school voor deze doelgroep runnen is uitzonderlijk. Gelukkig is de schoolinspectie het met ons eens dat ieder kind recht heeft op onderwijs en dat zo lang er gesproken kan worden van ontwikkeling, een kind ook echt op een school thuis hoort. Ook al is dit leren communiceren, om door middel van een klank aan te kunnen geven dat je ergens hulp bij nodig hebt.

Vanuit de omgeving naar beide groepen gekeken, is in beide groepen gedrag te zien dat omschreven kan worden als afwijkend sociaal gedrag (soms zelfs geclassificeerd als autistiform). De sociale regels, die non-verbaal vastgesteld zijn, zijn lastiger voor mensen die verder van “de grootste groep mensen” af staan. De grootste groep denkt ongeveer hetzelfde, heeft ongeveer dezelfde normen en omgangregels; maar voor mensen die anders denken en de omgeving anders ervaren, zijn deze regels niet vanzelfsprekend. Waardoor beide groepen anders reageren in sociale situaties. Mensen met een verstandelijke beperking reageren naar hun impulsen, soms haast dierlijk. Onder HB’ers zie je eerder dat ze sociale situaties zo bestuderen en handelen naar “wat normaal zou moeten zijn”, waardoor het gedrag gemaakt lijkt. De gevoeligheid voor prikkels uit de omgeving is trouwens ook vaak bij mensen met autisme spectrum stoornis terug te zien.
In een groep, bezien vanuit de persoon zelf, zijn mensen met een verstandelijke beperking zichzelf (daar ze zich niet op kunnen trekken naar de norm), terwijl HB’ers hun best doen om zich aan te passen aan de norm, waardoor hun behoefte eerder ligt op teruggang naar zich zelf.

 

 

 

Kleine zelfstandige

Ik zie in mijn dagelijkse praktijk voornamelijk drie aanleidingen die mensen brengen tot het aangaan van een eerste gesprek: problemen op het werk, relatieproblemen, en burn-out klachten, de laatste vaak maar zeker niet altijd in relatie tot werk. Want al denken de meeste mensen al snel aan werkstress wanneer iemand in een burn-out raakt, voor hooggevoelige mensen zijn er in het dagelijks leven al genoeg stressoren die ze soms lastig kunnen hanteren.

Van de week sprak ik een vrouw die 'langzaam maar zeker gek werd van zichzelf', in haar woorden. Steeds weer overweldigd het leven haar, raakt ze het overzicht kwijt en wordt overmand door depressieve gevoelens en het gevoel van verlies van controle. Hierdoor trekt ze zich terug in zichzelf, wat een stuk rust en ruimte geeft, wat het na een aantal dagen tot weken weer mogelijk maakt om haar oude leven op te pakken.

Datzelfde leven dat haar overweligd door haar grote gevoeligheid voor de emoties van mensen in de omgeving, enorme verantwoordelijkheidsgevoel (maar niet de positie) voor het wel en wee van haar partner, kinderen, collega's en familie, en 'totale waarneming' van haar omgeving. Met het bekende gevolg…

Haar concrete vraag was dan ook: hoe stap ik uit deze cirkel? Die grote gevoeligheid, die kun je niet wegnemen. En het snelle doorzien van processen in je omgeving ook niet. Door niet de hooggevoeligheid zelf maar de overweldiging erdoor als focus te nemen, zoeken we een werkbare oplossing.

Deze cliënt vond haar weg door een meersporige aanpak. Bewust geen eindverantwoording nemen voor alle processen waar je deel van bent, zorgen voor voldoende 'downtime'- echte rust voor jezelf, yoga als middel tot bewust ontspannen, en begrip kweken in haar omgeving voor het nodig hebben van ruimte was waar ze mee begon.

Verder: een aantal concrete rustpunten aanbrengen. Op haar werk bijvoorbeeld, neemt ze aan het eind van de ochtend een kwartier helemaal voor zichzelf op een rustige plek. Dit geeft voldoende rust om de middag weer aan te kunnen. Thuis neemt ze (of nu ja… het is lastig rust nemen soms nog) een half uurtje na de avondmaaltijd voor zich alleen, om te wandelen, hardlopen, in de tuin te werken of te lezen.

Al met al is de hoop dat deze aanpak een werkbare oplossing creert. Ik zeg werkbare oplossing, omdat in de praktijk blijkt dat hooggevoeligheid als stressfactor lastig helemaal weg te nemen is. We leven nu eenmaal in een wereld waarin 80% van de mensen NIET hooggevoelig is, en zullen daar onze weg soms makkelijk, soms moeilijker in vinden. Dat blijft.

Hooggevoeligheid brengt ook veel moois. Ik schrijf volgende keer over de rijkdom van het hooggevoelig zijn!

Eigen verantwoordelijkheid nemen

Verantwoordelijkheid nemen voor jezelf is één van de ontwikkelende dynamismen. Dit is een dynamisme met vele facetten, die ik in deze blog graag wil belichten.

Allereerst verwijst het naar verantwoordelijkheid nemen voor wat je doet. Als je iets doet wat niet handig is, durf dat dan te erkennen naar jezelf en anderen. Het lijkt zo’n inkopper, maar ik zie regelmatig mensen ermee worstelen. Vooral de mensen in primaire integratie. Als er iets mis gaat, is het de schuld van de ander. Bijvoorbeeld dat iemand stress ervaart omdat zijn baas/ zijn collega te veel werk op zijn bordje legde. Of een hoge bloeddruk omdat je puberzoon aan het puberen is. Of dat die keeper stond te slapen en het daardoor een doelpunt werd (voetbal speel je in een team van 11, toch?) Of dat de economische crisis de schuld is van de Joden (waaruit de tweede wereldoorlog ontstond).
In zekere zin verwijst het naar eerlijk zijn. Eerlijk zijn naar jezelf (“dat was niet zo handig”) en eerlijk naar anderen (“ik zou het graag over willen doen, maar dan anders”)

Eigen verantwoordelijkheid nemen staat ook voor zorgen voor jezelf. Het is erg fijn als anderen rekening met je willen houden. Als ze zeggen “doe maar niet, neem jij maar lekker rust”. Het is een fijn gevoel. Aan de andere kant, het is nogal precair om afhankelijk te zijn van anderen om liefde te ontvangen. Dat fijne gevoel blijft niet zo lekker lang hangen. Het zou mooi zijn, als er liefde in overvloed is, vanuit jezelf, en dat de liefde van de ander daar een cadeautje bovenop is. Waarbij ik niet suggereer dat je dan maar zelf, alleen, moet zorgen voor je liefde. Maar ik dwaal af.
Het is fijn om gezien te worden. Helaas gebeurt dat minder vaak dan goed voor je zou zijn. In de eerste plaats, mag je voor jezelf zorgen. Zelf aan durven geven wat je nodig hebt. Verantwoordelijkheid nemen voor jezelf, voor je lijf, voor je welzijn.
Hand in hand hiermee loopt het durven aangeven van je grenzen.

“Red eerst uzelf en daarna pas degenen om u heen”. Verantwoordelijkheid nemen voor jezelf, betekent ook verantwoordelijkheid nemen voor de ander, vanuit empathie. Niet zorgen voor (wat vaak resulteert in “overnemen van de autonomie”), maar klaarstaan voor de ander.
Als iedereen aan zou geven wat hij zelf nodig heeft, hoef je alleen maar voor jezelf te beslissen of je aan die vraag gehoor hoeft te geven. En hoeven we niet meer in te vullen wat ik denk dat jij denkt dat ik denk wat jij denkt en nodig hebt…

 

Positieve onvolwassenheid (of: papa is een grote kleuter)

Mijn dochter van 14 heeft mij uitstekend door. Ze vindt mij bij tijd en wijle een grote kleuter. En het mooie is, daar heeft ze vanuit haar perspectief helemaal gelijk in. Wie kan een perfecte klimboom weerstaan, of een watergevecht met bloedheet weer? Ik niet. Het leukste zijn eigenlijk kleine kinderen. Daarmee 'mag' je kleuren, kleien, in de zandbak spelen, hinkelen, de dieren op de kinderboerderij aaien. Of als ze nog jonger zijn, een beetje ongesturctureerd over de grond rondkruipen en brabbelen*. (Moet je eens als volwassen man alleen proberen allemaal…) Mijn eigen kinderen zijn de zandbakleeftijd voorbij, maar goed, er is altijd een bereidwillige ouder te vinden wier kroost je wel een uurtje of wat mag lenen. Oppassen noemen ze dat. Wordt je ineens juist geacht je speelse kant op te roepen! De meer zwevende mens noemt dat 'ik contact staan met je innerlijke kind' of iets dergelijks, en daar hebben ze dan weer helemaal ongelijk in.

Het heeft namelijk allemaal met innerlijk kind zijn niet te maken. Als volwassene wordt je geacht het allemaal bij elkaar te hebben en houden, om in staat te zijn alle verstoringen en disbalans soepel een plek te geven, om het 'bij elkaar te houden' en je volwassen te gedragen. Onzin, vond Dabrowski. Disharmonie en chaos behoren tot de kern van overexcitabilities, en zonder beweging geen ontwikkeling.

In veel modellen van geestelijke gezondheid is geestelijk gezond zijn een staat van zijn waarbinnen mensen zich aan weten te passen aan veranderende omstandigheden, zich gedragen zoals anderen, weten wat ze willen, redelijk zijn, onafhankelijk zijn en begrijpelijk zijn voor anderen. (Elizabeth Mika in 'Dabrowski's theory of positive desintegration', p.142)

Veel mensen met een groot ontwikkelpotentieel bereiken die staat nooit, en dat is maar goed ook vindt Dabrowski. Dit onaangepast zijn aan de norm noemde Dabrowski 'positieve onvolwassenheid'. Het is het soort onvolwassenheid die geassocieerd wordt met, en in mijn ogen zelf essentieel is voor, creativiteit en verregaande persoonlijke ontwikkeling.

Dus volgende keer wanneer je een hinkelpad tegenkomt in het leven: hou je niet in, negeer 'hoe het hoort' en hinkel er op los.

* overigens kun je beter normaal praten tegen baby's en peuters, beter voor hun taalontwikkeling.

Doen en zijn

De Dalai Lama zei: “Je bent wat je doet”. In de behandeling van mensen met een laag zelfbeeld wordt dit gebruikt om hen te stimuleren om kleine, positieve stapjes te zetten, om zo een beter gevoel over zichzelf te krijgen. Kleine stapjes in de vorm van het opruimen van de sokkenlade (kleine doelen stellen in plaats van te grote); en positieve stapjes zoals iemand voor laten gaan in de rij bij de kassa. Je voelt jezelf beter door iets goeds voor een ander te doen.

“Je bent wat je doet”. Maar wat nu als je niet meer kunt doen wat je deed, door omstandigheden? Dat kan best een heftige psychoneurose veroorzaken. Want wie ben je dan nog? Waarom is ego zo verbonden aan wat we doen? Dat ontstaat al op jonge leeftijd. Een jong kind heeft nog geen ego. Wat er gebeurt in zijn wereld, is door zijn toedoen (er  is niets anders dan alleen hijzelf). Ego ontwikkelt zich pas op latere leeftijd. In die ontwikkeling, wordt het kind vooral positief bekrachtigd op wat het doet: de eerste lach, het eerste woordje, de eerste stapjes, een goed rapport en ga zo maar door. FTR: positieve bekrachtiging is één van de belangrijkste pedagogische middelen, blijf daar ook vooral mee doorgaan! Waar minder aandacht voor is, zijn de dingen die van binnenuit komen: frustratie, schaamte, verveling enzovoorts. Dit wordt doorgaans niet positief bekrachtig, terwijl het wèl bij iemand hoort. De meeste mensen leren niet om met deze gevoelens om te gaan. Sterker nog, de meesten zullen leren dat deze gevoelens ongewenst zijn en ze zullen er alles aan doen om de pijn hiervan niet te hoeven voelen.

Een neveneffect hiervan, en dat is waar ik op doel, is dat iemand zichzelf (onbewust) definieert door wat hij doet. Als hij dit niet meer kan doen, bv door een (langdurige) ziekte, beperking of ontslag, zou dit best een heftige psychoneurose kunnen veroorzaken. Want wie is hij? En is het wel voldoende?

Het is nogal een heftig traject om aan te gaan…Velen zullen waarschijnlijk op zoek gaan naar een nieuwe baan of iets anders om te doen. En zeg nou zelf: wie zou niet het bekende pad van doorgaan kiezen boven dat onbekende, heftige pad van je zelf ontdekken?

Pagina's